Myanmar, een land in het teken van Boeddha

22 april - 16 mei 2005

Wat hier volgt is geen dagboek. Daarvoor heb ik te lang gewacht om het uit te schrijven. Het is eerder een verzameling van indrukken. Het was mijn eerste Azië-reis dus zou ik gelijkaardige ervaringen waarschijnlijk ook in andere Aziatische landen opgedaan kunnen hebben.
Eerst wil ik wel nog een woordje kwijt over de veelbesproken politieke situatie. Er is een militair regime aan de macht, het SLORC, tegenwoordig SPDC genaamd. De democratische oppositie o.l.v. Aung San Suu Kyi, wordt door het SLORC de mond gesnoerd. Omdat je als toerist het militair regime financieel zou steunen, zijn er reizigers die het toerisme naar Myanmar willen boycotten. Naar mijn mening draag je ook niets bij tot de evolutie van het land door het te mijden. De bevolking heeft ongetwijfeld meer aan een backpacker die in hun guesthouse slaapt of producten koopt op de markt aan hun kraampje, dan aan iemand die een paar duizend kilometer verderop beslist om, uit protest, naar Thailand te gaan.

Zoals je op de kaart kan zien, hebben we vooral het middenstuk van Myanmar bezocht: van Mawlamyine in het zuiden tot Mandalay in het noorden. Dat is min of meer het gebied dat de meeste toeristen bezoeken. Ons vervoer ter plaatse werd verzorgd door een gids die ons de volle drie weken rondvoerde in zijn minibusje. Zo'n reisformule is er niet uitzonderlijk. Het geeft je de luxe om niet afhankelijk te zijn van het openbaar vervoer en vooral om sneller te zijn. Ook bezoek je dingen waar je anders met het openbaar vervoer nooit zou komen, laat staan, stoppen. Daarnaast heb je het voordeel dat je met een lokale gids bent die je vooral op culinair gebied wegwijs kan maken en je de plaatselijke specialiteiten kan aanbieden waar je anders geen weet van zou hebben. De keerzijde is dan wel dat je met een persoon extra bent die je niet kent en die overal met je mee is en waardoor je toch een stuk van je vrijheid opgeeft.

Er zijn twee zaken die het meest in het oog springen als je rondreist. Ten eerste is dat de, naar westerse normen, primitieve wijze van leven en werken. En ten tweede is er de opmerkelijke aanwezigheid van het geloof. Beide items zul je hier verder terugvinden.

Het is bijna niet te geloven maar ondanks de grote hoeveelheid aan pagodes, tempels en stupa's die er reeds staan, worden er nog dagelijks bijgebouwd. Zij het niet een compleet nieuwe, dan is er in een bestaand complex nog wel ergens een paar vierkante meter vrij om nog een tempeltje bij te zetten. Een groot deel van het geld zal waarschijnlijk verzameld worden via de collecteboxen die bij zowat elke boeddhabeeld staan. Ik ben er van overtuigd dat er daar heel wat meer geld ingegooid wordt dan er bij ons in de kerken verzameld wordt. Maar de tempels worden daar nog heel druk bezocht worden, en niet enkel door toeristen.

Boeddhisten hebben blijkbaar ook een voorliefde voor kitsch. Veel Boeddha's zijn omgeven met flikkerende lichtjes en draaimolentjes. Sommige taferelen zouden rechstreeks van de kermis geplukt kunnen zijn. Een gekruisigde christus temidden van flitslichten zou hier godslaster zijn. Een boeddhabeeld onder een discobal is ginder een normale zaak. Diezelfde progressiviteit is ook terug te vinden in de gebouwen zelf. Sommige hogergelegen tempels hebben een nieuwe lifttoren zodat je de trappen niet moet doen. Her en der vind je ook versieringen die je in het Westen enkel in een pretpark zou terugvinden. Ik denk dan aan de grote spin aan de ingang van Pindaya of aan de veelkleurige beelden bij Winsen Toya. Op die manier steekt het boeddhisme en de beleving ervan sterk af tegen het grauwe karakter van het katholicisme. Maar het zijn net die ornamenten die het geheel opvallend maken en de zaak opfleuren.

In de drie weken waarin we het land bezocht hebben, hebben we honderen boeddhabeelden gezien. Er zijn sites waar er sowieso al honderden staan. Je vindt ze er in alle groottes, van de mini's in de Pindaya grotten tot de giganten in zovele tempels en uiteindelijk tot de allergrootste waar je binnenin kan, de Winsen Toya. Vele tempels hebben er exact vier, elk uitkijkend naar een van de windstreken.

Bij het bezoek aan een hindoe tempel is in het bijzonder opgevallen dat vooral wij, blanke toeristen, de grote attractie zijn. De tempel lag boven op een rotsformatie, waardoor je dus honderden treden omhoog moest. Een groep kinderen die beneden aan een tempel stonden, vonden natuurlijk niets toffers dan ons helemaal tot boven te vergezellen. Rondom de tempel speelden aapjes in de bomen. De kinderen spreken dan misschien geen Engels, maar toch willen ze onze aandacht erop vestigen. Toen we ons bezoekje afrondden en de hele weg naar beneden opnieuw aflegden, werden we opnieuw geëscorteerd door de hele bende. Ze willen tevens graag mee op de foto. Als je achteraf je foto's bekijkt zie je verdacht veel dezelfde gezichtjes opduiken. Daarna wachten ze op de volgende toeristen... Maar ook het omgekeerde kom je tegen: Indiase toeristen wilden ons ook op foto. Zelfs monniken hebben ons eens gevraagd of we met hen wilden poseren. Dat was mooi meegenomen want zo hadden wij ook een foto voor onszelf.

Bovendien zijn kinderen gek van digitale fototoestellen. (Hun ouders ongetwijfeld ook, maar die laten het meestal niet zo merken.) Ze vinden het fantastisch om te poseren voor de foto en om dan zichzelf op de display te zien. Als je daarmee begint, stromen ze natuurlijk van alle kanten toe. Je vraagt je soms af waar ze zo plots en zo snel in massa vandaan komen. En als je begint met snoepjes uit te delen, dan is het hek helemaal van de dam! En dan zijn het zelfs niet altijd uitsluitend kinderen. Soms zijn zelfs de volwassenen geïnteresseerd als er snoepjes te krijgen zijn.
Heel veel vrouwen en kinderen zijn er opvallend versierd met thanaka, een wit poeder afkomstig van boomschors. Bij sommigen is het gewoon over hun hele gezicht gesmeerd, maar anderen maken er hele mooie, fijne figuren mee. Het dient ook als bescherming tegen de felle zon.

Er lopen enorm veel monniken rond, allemaal in een oranje gewaad. In mindere mate zie je er boeddhistische nonnen, in een roze kleed. Allen kaalgeschoren. Zij leven van het bedelen en komen elke ochtend op straat om eten te vragen aan de bevolking. En de bevolking doet dit graag want volgens hun geloof komen ze dichter bij het nirvana als ze schenkingen doen. Opvallend is dat de vele monniken er eigenlijk veel gezonder uitzien dat de gewone mens. Ze zijn vaak breed en gespierd, in tegenstelling tot de meestal magere bevolking. Normaalgezien gaat elke jongen minstens één maand in zijn leven naar het klooster. Veel monniken wekken ook de indruk dat ze toerist zijn in hun eigen land, wat ongetwijfeld vaak ook zo is. Aan de andere kant moet ik ook wel vermelden dat ik ook een groep monniken gezien heb die zware arbeid verrichtten bij de bouw van een pagode.

Een van de bekendste streken van Myanmar is ongetwijfeld Bagan. En niet onterecht! De vlakte van Bagan situeert zich ten zuidwesten van Mandalay, rond de Ayeyarwady rivier. De vlakte is bezaaid met honderden pagodes, in alle afmetingen en gebouwd gedurende honderden jaren. De grootste pagodes kun je beklimmen en dan kun je vanaf de top de uitgestrektheid van de vlakte aanschouwen. Zover als je kijken kan... overal zie je pagodes. Na een verschroeiende middag, waarbij de temperatuur in de zon de 50° oversteeg, kwam iedereen bij zonsondergang terug om nog eens te genieten van deze indrukwekkende omgeving.

Nabij Bagan ligt de grote Shwezigon pagode waar tal van toeristen naar toe stromen. Op een middag heb ik even in de buurt op het strand gewandeld, en daar zie je plots geen toeristen meer. Enkel nog de lokalen die daar druk in de weer zijn met het verzamelen van water of het vissen. Nadat ik ook daar een heel pak snoepjes uitgedeeld had, en dan had de helft van de wachtenden nog niets gehad, verliet ik het strand. Maar om niet terug te moeten keren, liep ik door het dorp. Het valt dan direct op dat daar bijna nooit toeristen komen. Alle vuilnis die op de drukke punten verzameld wordt, wordt terug gedumpt in de straten van de dorpen een paar honderd meter verder. Je loopt er, in sandalen letterlijk op een stort. Je wordt er langs alle kanten begroet van mensen die in hun tuintje staan of zelfs vanuit hun living. De meesten waarschijnlijk verwonderd om een toerist te zien afdwalen van the beaten track. Dat is interessant en spannend om zien, maar het voelt toch goed als je tien minuten later terug op de gekende route bent.

Voor veel Birmezen is Mount Popa dan weer een must. Deze berg wordt aanzien als de woonplaats van de vele nats. Nats zijn geesten die zich ontfermen over de dagelijkse zaken. Ze zijn te vergelijken met de heiligen van de katholieken. Boven op Mount Popa staat er wederom een tempel. Het uitzicht is er mooier dan de tempel zelf. Na de honderden treden om tot boven te geraken, kun je er wel even van genieten. Aan de voet van de berg proberen kinderen je 'popa-steentjes' te verkopen. Dat zijn gelukssteentjes die hol zijn en waarin zich nog een steentje bevindt die rammelt.

Wat Mount Popa voorstelt voor het oude nat-geloof, is de Golden rock in Kyaikto voor de boeddhisten. Dat is een met goudfolie beklede rots die zich op balanceert op de rand van een andere rots. Bovenop dit min of meer ovale rotsblok bevindt zicht wederom een stupa, de Kyaik-htiyo pagode. Wij hebben er geen foto's van omdat het die dag mistig was en we dus geen mooie foto's konden nemen. Daarenboven moet je nog betalen ook indien je foto's wil nemen, maar dat is op heel veel plaatsen zo.

In Myanmar mag je heilige grond enkel betreden met blote voeten. Aangezien elke pagode en tempel op geweide grond staat, moet je dus overal je sandalan achterlaten aan de ingang. Dat blootvoets rondwandelen brengt wel een paar ongemakken met zich mee, vooral in het hete seizoen toen wij er waren. De grond rond de pagodes ligt namelijk de hele middag te bakken in de verschroeiende hitte van de zon. Dat kan heel pijnlijk zijn voor de voeten. Soms heb je geluk dat er een schaduwstrookje is, of dat de tegels wit zijn en dus minder warm. Maar soms heb je geen keuze en dan kun je enkel nog lopen. Zelfs voor de birmezen zelf is het soms te warm. Maar naast de warmte, stelt zich nog een ander ongemak. In de meer historische sites heb je niet altijd wandelpaadjes. Ook zo'n site moet je soms blootvoets betreden en dan mag je met je dichtgeschroeide voeten nog eens door het onkruid en het grind stappen. Na drie weken pagodes bezoeken, zijn je voeten wel een en ander gewoon.

Iedere Myanmar bezoeker komt ongetwijfeld ook terecht aan het Inle meer, een streek waar je enkele dagen moet spenderen. Het leven van de bewoners speelt zich af op het meer. De mensen leven er op het meer in paalwoningen. Ze hebben er drijvende tuinen waar ze hun groenten en bloemen kweken. De 'tuinier' vaart met zijn bootje de tussen de lange rijen drijvend slib waarop zijn planten groeien. Door middel van lange stokken worden de drijvende tuinen op hun plaats gehouden. Als het water tijdens het regenseizoen stijgt, dan stijgen de tuintjes mee. Een heel knap systeem! De stroken zijn bovendien dik genoeg zodat je er op kan lopen. Daarnaast zie je er ook de vissers die hun bootje met één been vooruit stuwen. Middenin dit alles liggen natuurlijk weeral kloosters, zoals het 'jumping cat monastery', waar de monniken hun vele katten getraind hebben om door ringen te springen. Tot slot er is altijd wel ergens een drijvende markt op het meer. Dan komen alle bewoners samen en stellen hun goederen tentoon in hun bootje. Als toerist vaar je er tussen met je eigen bootje en komen de verkopers zich aan je boot vastklampen.

Vooral niet te vergeten: eten & drinken,... In 't kort: noodles, bier, noodles,...
Je hoofdmaaltijd bestaat dus meestal uit noodles. Je vindt ze in je maaltijdsoep, of in je bord met cashew noten of garnalen of thai chicken,... Alle combinaties van zoetzuur tot enorm pikant. Na drie weken, tweemaal per dag, komen de noodles wel je oren uit. Gelukkig kun je nog afwisselen met de Indische of Nepalese keuken. Soms vind je zelfs een Italiaan. Maar bij eten hoort natuurlijk een drankje. De eigen bieren zijn beperkt tot Myanmar beer en Mandalay beer en soms Dagon. Voor de rest vind je soms nog een paar geïmporteerde bieren zoals Tiger beer. Als het bier je tegenzit, kun je heel goedkope, maar niettemin goeie Mandalay rum kopen.
Eén keer hebben we gezondigd tegen de eerste regel van het verstandig reizen: drink geen frisdrank met ijs. Maar als het om en bij de veertig graden is en de dichtsbijzijnde mogelijkheid om te drinken, is een straatkraampje met frisdrank... De frisdrank is in die hitte ook zo fris niet meer, dus hoe konden we ijs weigeren? De verkoper begon toen boven onze glazen een ijsblok te raspen die hij naast zich liggen had. Dan twijfel je toch wel even, maar we hebben er geen nare gevolgen van overgehouden. Later hebben we gezien hoe dergelijke kraampjes van ijs voorzien worden door de 'ijsblokventer'. Het is eigenlijk verwonderlijk dat we er toen niet misselijk van geweest zijn. (Ijsblokken worden er in winkelwagentjes of trekkarretjes vervoerd door de stad.)

Zoals in het begin vermeld is het heel opvallend dat alles wat in het Westen met machines gebeurt, hier met de hand gedaan wordt. De aankoop ervan is blijkbaar duurder dan het betalen van mensen. In yangon hebben we gezien hoe een schip geladen wordt door mensen die de zakken rijst op hun schouders dragen. Een ander voorbeeld is het herstellen en asfalteren van de wegen. Dan zie je vooral kinderen met vaten kokende pek rondlopen. Niet enkel zijn het kinderen, maar heel vaak ook nog meisjes. Volgens onze gids deden ze dat uit noodzaak om zelf ook geld binnen te brengen voor de familie. De enige machine die er bij te pas komt, is een walser. Zelfs de keitjes worden gemaakt door grote steenblokken met de hamer kapot te slaan tot kleine stukjes. Een laatste voorbeeld haal ik uit de landbouw. Het land wordt er bewerkt met behulp van een houten ploeg getrokken door een os en een molen om de olie uit pindanoten te halen, was eigenlijk een os die de hele tijd rondjes liep rond een houten constructie en zo de pinda's pletten.
Maar ondanks deze toestanden zie je heel veel bamboe huizen met een satteliet schotel op het dak. Ze mogen dan in een paalwoning leven, maar ze zullen meer zenders ontvangen dan wij.

Nog dit om af te ronden: handig om weten als je dergelijke landen bezoekt, is dat je veel kinderen een groot plezier doet als je hen snoepjes geeft. Soms komen ze er zelf al om vragen want ze verwachten dat toeristen iets meehebben. Ook met zeepjes en vooral met mini shampoo flesjes kun je veel mensen een plezier doen.

Tot slot wil ik nog vermelden dat we veel meer gezien hebben dan er hier op de site staat. De foto's hier volstaan enkel om een indruk te geven van wat er te zien valt. We hebben zoveel pagodes, sites en dorpen gezien, dat ik veel meer plaats en tijd zou nodig hebben om alles te vermelden. Maar dat zou je toch maar vervelen, en zoniet, dan moet je misschien zelf maar eens een kijkje gaan nemen.

Plakboek

Ga met de muis over een foto voor een woordje uitleg.